Plaagdierbeheersing en het gebruik van verboden vangmiddelen onder de Wet Natuurbescherming

21-08-2017
Professionele plaagdierbeheersers maken gebruik van vangmiddelen om plaagdieren, zoals ratten en muizen weg te vangen. In aanvulling op monitoring en preventieve maatregelen, vormt het gebruik van vangmiddelen een methode om overlast van plaagdieren te beheersen. Om onnodig dierenleed te voorkomen gelden voor het gebruik van vangmiddelen strenge voorwaarden. De NVPB ontvangt dit jaar veel vragen van leden over deze voorwaarden. De toename in het aantal vragen is het gevolg van de opname van de voorwaarden voor vangmiddelen in de nieuwe Wet natuurbescherming. In dit artikel wordt verduidelijkt dat het verbod om je buiten te begeven met verboden vangmiddelen niet betekent dat de verboden vangmiddelen binnen mogen worden gebruikt. Daarnaast heeft het ministerie van Economische Zaken verhelderd dat een provincie ook de mogelijkheid heeft om ontheffing te verlenen voor het gebruik van verboden vangmiddelen voor het vangen of doden van niet-beschermde diersoorten

Introductie

Het gebruik van vangmiddelen is een belangrijke methode in het kader van Integrated Pest Management, waarbij wering en preventie voorop staan en chemische bestrijdingsmiddelen als laatste redmiddel worden ingezet. Door vangmiddelen op verantwoorde wijze en op het juiste moment in te zetten, kan het gebruik van chemische middelen worden teruggedrongen. Men moet hierbij denken aan het gebruik van vallen of klemmen voor het vangen van ratten en muizen, maar bijvoorbeeld ook het gecontroleerd gebruik van lijmplaten. Het gebruik van vangmiddelen is aan strenge regels gebonden die zijn opgenomen in de Wet Natuurbescherming, die op 1 januari 2017 de Flora- en Faunawet heeft vervangen. Daarnaast zijn ook het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet- en regelgeving stelt onder andere voorwaarden aan de bescherming van diersoorten, het gebruik van vangmiddelen (met uitzondering van biociden) en schadebestrijding. De Wet natuurbescherming bevat ook een algemene zorgplicht om (onnodig) dierenleed te voorkomen. Deze regels zijn dan ook zeer relevant voor het uitvoeren van werkzaamheden op het gebied van plaagdierbeheersing. In deze nieuwe wetgeving is ervoor gekozen om een aantal bevoegdheden van het Rijk naar de provincies te delegeren.
 
Het verbod op het gebruik van vangmiddelen
De Wet natuurbescherming bepaalt dat het verboden is om je met een verboden middel buiten gebouwen te bevinden, indien het vangmiddel zal worden gebruikt voor het doden of vangen van dieren. Het is belangrijk te benadrukken dat verbod op vangmiddelen zich toespitst op:
  • locatie: het buiten gebouwen bevinden met een verboden vangmiddel; en
  • doel: het doden of vangen van dieren.
Het verbod maakt dus geen onderscheid tussen de locatie waar het verboden vangmiddel wordt gebruikt. Het verbod geldt dus ook wanneer een verboden vangmiddel binnen wordt gebruikt in het kader van plaagdierbeheersing. In de praktijk bestaat hierover veel verwarring, omdat het verbod ook zo zou kunnen worden geïnterpreteerd dat het gebruik van de verboden vangmiddelen binnen gebouwen wel is toegestaan. Dit is dus uitdrukkelijk niet het geval en een dergelijk onderscheid is ook niet in lijn met de strekking van het verbieden van de betreffende vangmiddelen. De hiervoor beschreven uitleg van het verbod is aan de NVPB bevestigd door het ministerie van Economische Zaken, dat verantwoordelijk is voor de Wet natuurbescherming.
 
In het Besluit natuurbescherming is een lijst opgenomen met de verboden vangmiddelen. Het gaat onder andere om: klemmen, vallen, vangkooien, lijm(platen) en rodenators. Ten aanzien van klemmen is bepaald dat deze niet verboden zijn, wanneer deze uitsluitend geschikt en bestemd zijn voor het vangen en doden van mollen, zwarte ratten, bruine ratten en huismuizen. In het geval van het verbod op vallen, zijn kastvallen wel uitdrukkelijk toegestaan. Bij vangkooien is bepaald dat deze niet zijn verboden, indien zij geschikt en bestemd zijn voor het vangen van verwilderde katten en verwilderde duiven binnen de bebouwde kom. Het verbod geldt ook voor materialen waaruit die vangmiddelen direct kunnen worden gemaakt.
 
In aanvulling op dit verbod geldt dat onnodig dierenleed moet worden voorkomen. Dat betekent dat ook wanneer een vangmiddel niet is verboden alsnog moet worden voorkomen dat dieren onnodig lijden, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een tijdige controle op de vangst. Daarnaast moeten ook maatregelen worden genomen om te voorkomen dat niet-doelsoorten door het vangmiddel worden gevangen of gedood.
 
Ontheffing
Indien een bepaald vangmiddel verboden is, dan kan hiervoor onder omstandigheden ontheffing voor worden aangevraagd. Onder het regime van de Wet natuurbescherming moet een dergelijke ontheffing bij de provincie worden aangevraagd. Dat is het gevolg van de beleidskeuze om op provinciaal niveau een afweging te maken hoe het natuurbeleid wordt ingevuld en waarbij rekening kan worden gehouden met de lokale omstandigheden. Voor plaagdiermanagement bedrijven betekent dit dat zij voor het aanvragen van ontheffingen met verschillende provincies te maken krijgen, waarbij iedere provincie een eigen afweging maakt in de voorwaarden waaronder een ontheffing wordt verleend.
 
Onder de Wet natuurbescherming kan dus ontheffing worden aangevraagd voor het verbod op vangmiddelen, maar deze mogelijkheid is verweven met de ontheffing voor het vangen c.q. doden van beschermde diersoorten. In het geval van plaagdierbeheersing zijn er natuurlijk veel situaties denkbaar waarbij vangmiddelen worden ingezet voor het vangen van niet-beschermde diersoorten, zoals het gebruik van lijmplaten voor het afvangen van huismuizen of het gebruik van de rodenator tegen bruine ratten. Een vraag die provincies momenteel bezig houdt, is of ook in dit geval ontheffing kan worden aangevraagd voor verboden vangmiddelen, omdat dit niet expliciet uit de tekst van de wet kan worden opgemaakt.
 
Het ministerie van Economische Zaken heeft aan de NVPB bevestigd dat provincies op basis van de Wet natuurbescherming ook ontheffing kunnen verlenen voor verboden vangmiddelen, indien men voornemens is om hiermee niet-beschermde diersoorten te vangen en/of te doden. Dit wordt door het ministerie ook uitgedragen richting de provincies. Dat provincies daadwerkelijk ook dergelijke ontheffingen verlenen volgt bijvoorbeeld uit deze ontheffing, die is verleend door de provincie Gelderland. Het is verder aan de betreffende provincie om zelfstandig een oordeel te vellen of het wel of niet verlenen van een ontheffing. Het ministerie is zich bewust van de onduidelijkheid bij de provincies op dit punt en zal bij de eerst volgende gelegenheid de wet op dit punt verduidelijken om bij provincies alle twijfel hierover weg te nemen.
 
Inspanningen van de NVPB
In de dagelijkse praktijk van plaagdierbeheersers bestaat veel onduidelijkheid over de Wet natuurbescherming. Om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van de nieuwe regels heeft de NVPB de projectgroep Natuurbescherming opgericht. In deze projectgroep worden ervaringen uitgewisseld en specifieke vragen van leden beantwoord. Daarnaast treedt de NVPB in overleg met overheden, zoals met het ministerie van Economische Zaken. Op basis van de activiteiten in de projectgroep en de contacten met overheden wordt de sector geïnformeerd. Dit artikel is daar een voorbeeld van.
 
Daarnaast is een belangrijke beleidsdoelstelling van de NVPB dat de positie van de plaagdierbeheerser die in het bezit is van een geldig vakbekwaamheidsbewijs in wetgeving en beleid een grotere rol van betekenis krijgt. Een persoon in het bezit van het vakbekwaamheidsbewijs is immers aantoonbaar geschoold op basis van de principes van Integrated Pest Management en de overige eindtermen voor onderwijs. Het vakbekwaamheidsbewijs is momenteel alleen verplicht voor het toepassen van biociden in het kader van plaagdierbeheersing. De NVPB is van mening dat het vakbekwaamheidsbewijs voor plaagdierbeheersing ook moet worden erkend in het stelsel van de Wet natuurbescherming. Een dergelijke erkenning biedt de mogelijkheid om bepaalde werkzaamheden van plaagdierbeheersers uit te zonderen van de verboden uit de wet. Dat voorkomt bijvoorbeeld tijdverlies en kosten als gevolg van de procedure voor een ontheffing. Dit is van belang om de wetgeving voor plaagdierbeheersers uitvoerbaar te houden, maar ook om snel te kunnen overschakelen op het gebruik van een vangmiddel wanneer dit naar het oordeel van de daartoe geschoolde plaagdierbeheerser nodig is.
 
Tot slot roept de NVPB plaagdierbeheersers op zich via nvpb@nvpb.org bij het secretariaat te melden met voorbeelden waarin hun werkzaamheden onnodig worden belemmerd door de wet- en regelgeving. Op basis van dergelijke signalen kan de NVPB het gesprek aangaan met de overheid over verbetering van de uitvoerbaarheid van de wet- en regelgeving.
 
 
 
 



Nieuwsarchief